Overzicht van de basiselementen van processen en hun relaties

  ^  

 

Grondbegrippen

Een proces is een actuele gebeurtenis. De structuur van processen is een abstrahering, een instrument voor ons onderscheidingsvermogen. De abstracte structuur moet alle elementaire potentialiteiten bevatten, zij dient als 'kapstok' voor de potentialiteiten. De intrinsieke eigenheid ligt in de relaties tussen de potentialiteiten. De termen waarmee de verschillende potentialiteiten worden aangeduid moeten algemeen zijn, zodat de structuur kan dienen als kader voor het werken met diverse specifieke processen zoals dieren, bergen, theorieën, menselijk handelen, politiek, enzovoort.
Het universum is een geordend en creatief geheel van processen.
 

  ^  
Geometrische en kosmologische gegevens

Een punt is een concept van ruimte en tijd, het bevat geen onderdelen.
Een lijn is een relatie tussen twee punten.

Een punt kan een verbinding vormen met zichzelf: de lijn die een punt met zichzelf verbindt kunnen we ons denken als een cirkel (360 graden). Het begin en het einde zijn verbonden in dat ene punt, het contact met de actualiteit van ruimte, tijd en beweging.
De cirkel maakt het mogelijk relaties te onderscheiden tussen punten die op deze cirkel zijn geprojecteerd.
De lijn die een punt op de cirkel verbindt met een ander punt op de cirkel is een rechte lijn. Zo'n rechte lijn verdeelt de cirkel, of een deel ervan, in twee delen. Het aantal mogelijke verdelingen nadert tot oneindig, het wordt overzichtelijker als we enkele groepen van rechte lijnen onderscheiden:

  1. De rechte lijnen die twee tegenover elkaar liggende punten binnen de symmetrie van de cirkel verbinden vormen opposities van tegendelen (afstand van 180 graden);
  2. Twee rechte lijnen van verbonden tegendelen die haaks op elkaar staan vormen vierhoeken van vier rechte lijnen binnen de cirkel (afstanden van 90 graden);
  3. Drie lijnen die drie punten, op gelijke afstanden op de cirkel liggend, verbinden vormen gelijkzijdige driehoeken (afstanden van 120 graden);
  4. Zes lijnen die zes punten, op gelijke afstanden op de cirkel liggend, verbinden vormen zeshoeken (afstanden van 60 graden);
  5. Twaalf rechte lijnen die twaalf punten verbinden, op gelijke afstanden op de cirkel een golfbeweging aanduidend, vormen een twaalfhoek (afstanden van telkens 30 graden),
  6. Twaalf lijnen die twaalf punten verbinden, op afstanden van telkens 150 graden, vormen een doorlopende cyclische beweging voorwaarts of, bij afstanden van telkens 210 graden, een doorlopende cyclische beweging achterwaarts.

Dit zijn de basisverhoudingen, de basismaat voor de twaalf fasen van het proces is 30 graden.
 Zie figuren in : structuur #6/2 en op de extra pagina,
Individuele ruimte-tijd dank zij een uniek coördinatenstelsel - structuur #9/3,
Gebeurtenissen gecoördineerd en verbonden in ruimte en tijd - structuur #13/4,
ZIGZAGZINE 26, Een complex netwerk 1,
Structuur #26/8x tabellen van basisbegrippen,
Ontwikkeling en grenzen van processen in interactie - structuur #33/10.
 

  ^  

Het netwerk van relaties

Elk punt bevindt zich temidden van andere punten die in ruimte en tijd bestaan, zij onderscheiden zich van elkaar door hun relatieve positie. De relatieve positie van een punt in ruimte en tijd wordt weergegeven door haar coördinaten, het punt vertegenwoordigt zowel singulariteit (singulus = met unieke aard, enig of weergaloos) als coördinatie (co = samen- of neven-, ordinare = ordenen of -schikken, nevengeschikt, dus gelijkwaardig) met andere singulariteiten die samen de omgevingswereld vormen.
  1. De relatie van gecoördineerde eenheid is de relatieve positie van een uniek punt in ruimte, tijd en beweging.
    Vanuit de oorspronkelijke positie van het punt kunnen meerdere oriëntatie- of referentiepunten worden vastgesteld, te weten: een als standaard toepasbaar achtergrondpatroon en een aantal in de loop van de tijd en met regelmaat tegen die achtergrond verschuivende referentiepunten  zie figuren en animaties in : structuur #9/3.
    De (aardse) constructie: de kalenderdatum wordt omgerekend naar het Juliaanse nummer van de dag en de standaardtijd op de Greenwich-meridiaan. Van daaruit wordt de Plaatselijke Tijd berekend: het MC, de top van de Zuid-Noord as, geeft de draaiing van de aarde, de plaatselijke tijd, weer. Vervolgens wordt de plaatselijke horizon vastgelegd: de Ascendant vertegenwoordigt de positie van het punt in de ruimte. Door de koppeling van het kader, de processtructuur met zijn golfbeweging in de fasen, aan de Ascendant wordt deze de aanduider van het beginpunt van het proces. Als de MC-IC as en de oriëntatiepunten zijn geplaatst is het karakteristieke patroon / gezichtspunt van dit ontwikkelingsproces vastgelegd in de symmetriën van de cirkel. De cyclische structuur van het proces maakt zowel herhaling mogelijk als terugkoppeling noodzakelijk; in het punt tussen twee cycli kan interactie met andere processen, en dus coördinatie, gebeuren.

De relatie van gecoördineerde eenheid, op dit macroscopisch niveau (waar procesen meer dan een cyclus omvatten), is zodoende aangevuld met de drie structurele relaties - met hun eigen plaats tegen de achtergrond - binnen de cirkelvorm van het proces:

  1. De Ascendant - Descendant as is de relatie van wisselwerking met de omgeving.
    Het is de horizon die de cirkel in twee helften deelt. Het onderste deel omvat de capaciteiten voor de omgang met zichzelf, het bovenste deel omvat de capaciteiten om met het andere, de omgeving, om te gaan. De as vertegenwoordigt flexibiliteit en openheid in onbestendige omgevingen.
  2. De MC-IC as is de relatie van richting in de omgeving.
    De as vertegenwoordigt de aanwending van de eigen innerlijke ruimte en tijd, de expressie van de eigen identiteit, in de omgeving.
  3. De referentiepunten vormen samen de relatie van identiteit die zich historisch en ruimtelijk ontwikkelt.
    Samen met de beide assen vertegenwoordigen zij de uniciteit van het proces.

Koppeling naar
een individueel systeem met een uniek coördinatenstelsel - structuur #9/3,
 zie figuren en animaties in : structuur #13/4 en zijn extra pagina's -1-, -2-, -3-.

  ^  

Een netwerk binnen een genest netwerk

Uit de relatie van gecoördineerde eenheid, de universele relatie, vloeien voort: E t/m H, vier groepen van structurele relaties tussen onderdelen van het proces; I t/m Q, negen groepen van functionele relaties tussen twee of meer oriëntatiepunten, waarvan P en Q twee groepen van relaties van relatieve beweging tussen functies zijn.
Functies kunnen interfereren met andere functies (potentialiteiten). Het effect van de interferentie wordt bepaald door de relatieve posities in ruimte en tijd en door de duur (meer exact: het aantal interacties of cycli). Interferentie vindt plaats zowel binnen het proces, dat is in onderlinge functionaliteit van de functies binnen het netwerk, als met processen in de buitenwereld. De interactie tussen verschillende processen vindt plaats als interferentie tussen potentialiteiten.
 

  ^  
Structurele samenhang; vier groepen van relaties in de structuur
  1. De relatie die tot stand is gekomen door de plaatsing van de Ascendant en zijn kader van de fasenstructuur op de achtergrond met referentiepunten is het structurele patroon. De achtergrond is, net als de fasenstructuur, verdeeld in twaalf gelijke delen met verschillend karakter die de werkwijzen van de referentiepunten aangeven.
    De twaalf relaties van patroon of gezichtspunt zijn:
    1. het patroon van triviaal begin, het kader begint in het eerste deel van de achtergrond,
    2. het patroon van eigen waarde, het kader begint in het 2e deel van de achtergrond,
    3. het patroon van onderscheiden, het kader begint in het 3e deel van de achtergrond,
    4. het patroon van stabiliteit, het kader begint in het 4e deel van de achtergrond,
    5. het patroon van eigenheid en spel, het kader begint in het 5e deel van de achtergrond,
    6. het patroon van functioneren, het kader begint in het 6e deel van de achtergrond,
    7. het patroon van interactie, het kader begint in het 7e deel van de achtergrond,
    8. het patroon van afwijzing, het kader begint in het 8e deel van de achtergrond,
    9. het patroon van uitbreiding, het kader begint in het 9e deel van de achtergrond,
    10. het patroon van autonomie, het kader begint in het 10e deel van de achtergrond,
    11. het patroon van verscheidenheid, het kader begint in het 11e deel van de achtergrond,
    12. het patroon van overgave, het kader begint in het 12e deel van de achtergrond.
  2. In de tweede groep, de relaties tussen twee opeenvolgende segmenten van 30 graden, de fasen van de cirkel, bevindt het eigene zich naast het andere in de omgeving, en omgekeerd. De fasen dragen de voortstuwende golfbeweging van het proces, daarin ondersteund door de eveneens voortstuwende verschillen in de achtergrond.
    De twaalf relaties van contrast:
    1. het contrast van opdracht met triviaal begin,
    2. het contrast van begin met belang,
    3. het contrast van waarde met beweeglijke kennis,
    4. het contrast van onderscheid met stabiliteit,
    5. het contrast van voorwaarden met essentie/spel,
    6. het contrast van overzicht met functioneren,
    7. het contrast van capaciteit met aanvulling,
    8. het contrast van interactie met afwijzing,
    9. het contrast van keuze met uitbreiding,
    10. het contrast van ideaal met beperkingen,
    11. het contrast van grenzen met verscheidenheid,
    12. het contrast van gezelschap met overgave aan de opdracht.
  3. In de derde groep, de assen van opposities of tegendelen, bevinden twee segmenten zich tegenover elkaar op een afstand van 180 graden. In deze as-relaties wordt de ruimtelijke pool gecombineerd met het temporele uiterste, of omgekeerd, en wordt het eigene geconfronteerd met of gespiegeld door het andere/de omgeving. De polariteit die zij vertegenwoordigen benadrukt bovendien de cyclische eigenschap van de structuur.
    De zes as-relaties van tegendelen of symmetriën:
    1. - 7. de as van contact met de omgeving verbindt triviaal begin met aanvulling,
    2. - 8. de as van innerlijke waarden verbindt eigen belangen met afwijzing,
    3. - 9. de as van verschil in de omgeving verbindt beweeglijke kennis met uitbreiding,
    4. - 10. de as van innerlijke stabiliteit verbindt voorwaarden met grenzen,
    5. - 11. de as van de plaats in de groep verbindt individualiteit met diversiteit,
    6. - 12. de as van innerlijke eenheid verbindt functioneren met overgave aan de opdracht.
  4. De relaties van gelijkenis berusten op de analogie tussen de eigenschappen van de onderdelen van de processtructuur, de achtergrond, en de functies. Zo vertoont een bepaalde fase (werkgebied) overeenkomst met een bepaald deel van de achtergrond (werkwijze) en met een bepaalde functie (instrument):
    1. actueel beginnen: initiëringsfase, energie-achtergrond, activeerfunctie,
    2. de waarde: referentiefase, belangenachtergrond, aandachtfunctie,
    3. soepelheid: kennisfase, onderscheidingsachtergrond, relateerfunctie,
    4. de voorwaarde: houvastfase, bindingenachtergrond, stabiliteitfunctie,
    5. intimiteit & spelen: toetsingsfase, overzichtsachtergrond, zelfbeheerfunctie,
    6. de capaciteit: werkfase, nuttigheidsachtergrond, analyseerfunctie,
    7. interactie: aanvullingsfase, harmoniseringsachtergrond, aantrekkingfunctie,
    8. het afwijzen: verzetfase, keuzenachtergrond, verwijderfunctie,
    9. uitbreiden: verkenningsfase, idealiseringsachtergrond, interpreteerfunctie,
    10. de autonomie: begrenzingsfase, anticiperingsachtergrond, consistentiefunctie,
    11. verscheidenheid: acceptatiefase, contextenachtergrond, vernieuwfunctie,
    12. de opdracht: overgavefase, assimilatie-achtergrond, integreerfunctie.

Koppeling naar
de stuwkracht in de golfbeweging van afwisselende contrasten in een proces - structuur #16/5.

  ^  

Functionele samenhang; zeven groepen van relaties tussen potentialiteiten

Om de zeven groepen van relaties te realiseren zijn telkens ten minste twee oriëntatiepunten of functies nodig. Een functie beschikt niet alleen over de eigen dynamiek (zie onder H), maar tevens over de dynamiek die voortkomt uit de fase en het deel van de achtergrond waarin zij zich bevindt. De functies (oriëntatiepunten) realiseren samen de totaalfunctie van het individuele proces.
De beschrijving van deze relaties berust op de structurele onderdelen in het betrokken beginpatroon (zie: E); de functies voegen daaraan nog mogelijkheden toe (bijv. hun relaties met andere functies) die uiteraard meer individueel zijn.
N.B. Enkele van de volgende omschrijvingen zijn nog voorlopig. In de laatste drie delen van de themalijn zal ik de relaties K, M en N nog verder onderzoeken.

  1. De samenvoegende relatie verenigt twee of meer functies die zich op zeer korte afstand van elkaar bevinden, meestal binnen eenzelfde werkgebied en met dezelfde werkwijze. De relaties tussen werkgebieden en werkwijzen zijn beschreven onder E: de beginpatronen.
    De conjunctie leidt tot één functie met een zodanig gemengd karakter dat de samenstellende potentialiteiten niet of moeilijk te onderscheiden zijn.
  2. De twaalf contrasterende relaties met een soepel vloeiend karakter, beschreven onder F, kunnen eveneens worden geactiveerd als ze door ten minste twee functies verbonden zijn.
    • de twaalf half-sexten tussen 1 en 2, 2 en 3, 3 en 4, en zo verder tot en met 11 en 12.

    De verbindingen van 30(6) graden vullen de onder N genoemde emanciperende relaties van 150(6) / 210(6) graden aan.

  3. De twee maal zes dimensie toevoegende relaties met een ontspannen aanvullend karakter brengen een verbinding tot stand tussen de ruimte- en de tijdpolen van of de innerlijke wereld of de omgevingswereld. Ook hier is het karakter van fasen en dat van werkwijzes gecombineerd, afhankelijk van de combinatie in het beginpatroon (zie: E).
    1. de zes sextielen van omgevingsruimte en -tijd:
      • het 1-3 sextiel van begin met beweeglijke kennis,
      • het 3-5 sextiel van onderscheid met essentie/spel,
      • het 5-7 sextiel van overzicht met aanvulling,
      • het 7-9 sextiel van interactie met uitbreiding,
      • het 9-11 sextiel van ideaal met verscheidenheid,
      • het 11-1 sextiel van sociaal verband met triviaal begin.
    2. de zes sextielen van innerlijke ruimte en tijd:
      • het 2-4 sextiel van belang met stabiliteit,
      • het 4-6 sextiel van voorwaarden met functioneren,
      • het 6-8 sextiel van capaciteiten met afwijzing,
      • het 8-10 sextiel van keuze met beperkingen,
      • het 10-12 sextiel van grenzen met overgave,
      • het 12-2 sextiel van opdracht met waarde.

    Deze verbindingen van 60(6) graden zijn complementair met de onder M. genoemde specialiserende relaties van 120(6) graden.

  4. De drie groepen van dialectische relaties met een sterk dynamisch karakter verbinden de vier structurele onderdelen: innerlijke ruimte, innerlijke tijd, omgevingsruimte en omgevingstijd. De onderdelen staan haaks op elkaar, op een afstand van 90(6) graden. Het karakter van fasen en dat van werkwijzes is gecombineerd, afhankelijk van de combinatie in het beginpatroon (zie: E).
    1. de vier hypothetische vierkantrelaties van aanwezigheid en gegeven feit.
      Twee symmetriën, de as van contact met de omgeving kan worden verbonden met
      de as van innerlijke stabiliteit, via
      • het 1-4 vierkant van begin en stabiliteit,
      • het 4-7 vierkant van voorwaarden en aanvulling,
      • het 7-10 vierkant van interactie en beperkingen,
      • het 10-1 vierkant van grenzen en triviaal begin.
    2. de vier antithetische vierkantrelaties van verschillen waarnemen.
      Twee symmetriën, de as van innerlijke waarden kan worden verbonden met
      de as van de plaats in de groep, via
      • het 2-5 vierkant van waarde en spel,
      • het 5-8 vierkant van eigenheid en afwijzing,
      • het 8-11 vierkant van keuze en verscheidenheid,
      • het 11-2 vierkant van sociaal verband en eigen belang.
    3. de vier synthetische vierkantrelaties van zoeken naar een oplossing.
      Twee symmetriën, de as van verschil in de omgeving kan worden verbonden met
      de as van innerlijke eenheid, via
      • het 3-6 vierkant van onderscheiden en functioneren,
      • het 6-9 vierkant van capaciteit en uitbreiding,
      • het 9-12 vierkant van ideaal en overgave aan de opdracht,
      • het 12-3 vierkant van opdracht en beweeglijke kennis.

    De verbindingen van 90(6) graden kunnen de onder G. en O. genoemde actieve confronterende relaties van 180(6) graden aanvullen en daarmee in feite versterken.

  5. De vier groepen van specialiserende relaties met een vanzelfsprekend en zelf-versterkend karakter verenigen tenminste twee van de drie dialectische aspecten (hypo)these, antithese en synthese, terwijl zij zich op eenzelfde manier op eenzelfde type werkgebied richten. Het karakter van fasen en dat van werkwijzes is gecombineerd, afhankelijk van het gegeven beginpatroon (zie: E).
    De onderdelen zijn verbonden als de zijden van een gelijkzijdige driehoek op een afstand van 120(6) graden:
    1. de drie driehoekrelaties van fysieke zekerheid.
      De relaties van de innerlijke ruimte in staat van subjectiviteit
      • de 4-8 driehoek van voorwaarden en afwijzing,
      • de 8-12 driehoek van keuze en overgave aan de opdracht,
      • de 12-4 driehoek van opdracht en stabiliteit.
    2. de drie driehoekrelaties van innerlijke samenhang.
      De relaties van de innerlijke tijd in geschiedenis, actualiteit en wording
      • de 10-2 driehoek van beperkingen en belang,
      • de 2-6 driehoek van waarde en functioneren,
      • de 6-10 driehoek van capaciteit en grenzen.
    3. de drie driehoekrelaties van fysieke aanwezigheid.
      De relaties van de contextuele ruimte in onbestendigheid en verwikkeling
      • de 1-5 driehoek van begin en spel,
      • de 5-9 driehoek van overzicht en uitbreiding,
      • de 9-1 driehoek van ideaal en triviaal begin.
    4. de drie driehoekrelaties van sociale communicatie.
      De relaties van de contextuele tijd in situaties van objectief verschil
      • de 7-11 driehoek van interactie en verscheidenheid,
      • de 11-3 driehoek van samenleving en beweeglijke kennis,
      • de 3-7 driehoek van onderscheid en aanvulling.
  6. De twaalf overbruggende relaties met een vergelijkend of emanciperend karakter brengen een verbinding tot stand tussen de vier structurele onderdelen: enerzijds een polariteit van de eigen innerlijke ruimte en tijd, anderzijds een naastliggende polariteit van de ruimte en tijd van de context. Zo verenigen twee of meer functies een as van tegendelen of symmetriën (G) via aanvulling, tegenwicht of verschuiving van perspectief met het private dan wel met het maatschappelijke in een naastliggende as. Dit is in feite een beweging naar een asymmetrie, een mogelijkheid om een starre symmetrie te doorbreken. Het karakter van fasen en van werkwijzes is gecombineerd, afhankelijk van het gegeven beginpatroon (zie: E).
    Zo kan een verbinding van of 150(6) of 210(6) graden, aangevuld bij voorbeeld met een complementaire relatie van contrast (F and J) van 30(6) graden, de extremiteiten van de oppositie (O) met een tweede, naastliggende, relatie van 180(6) graden (G) cyclisch relativeren, harmoniseren of transformeren:
    • het 1-6 inconjunct van begin en functioneren,
    • het 6-11 inconjunct van capaciteit en verscheidenheid,
    • het 11-4 inconjunct van samenleving en stabiliteit,
    • het 4-9 inconjunct van voorwaarden en uitbreiding,
    • het 9-2 inconjunct van ideaal en belang,
    • het 2-7 inconjunct van waarde en aanvulling,
    • het 7-12 inconjunct van interactie en overgave aan de opdracht,
    • het 12-5 inconjunct van opdracht en uitdaging,
    • het 5-10 inconjunct van overzicht en grenzen,
    • het 10-3 inconjunct van beperkingen en beweeglijke kennis,
    • het 3-8 inconjunct van onderscheid en afwijzing,
    • het 8-1 inconjunct van keuze en mandaat;
      of van 210(6) graden, in omgekeerde richting:
    • het 1-8 inconjunct van begin en afwijzing,
    • het 8-3 inconjunct van keuze en beweeglijke kennis,
    • het 3-10 inconjunct van onderscheid en grenzen,
    • het 10-5 inconjunct van beperkingen en uitdaging,
    • het 5-12 inconjunct van overzicht en overgave aan de opdracht,
    • het 12-7 inconjunct van opdracht en aanvulling,
    • het 7-2 inconjunct van interactie en belang,
    • het 2-9 inconjunct van waarde en uitbreiding,
    • het 9-4 inconjunct van ideaal en stabiliteit,
    • het 4-11 inconjunct van voorwaarden en verscheidenheid,
    • het 11-6 inconjunct van samenleving en functioneren,
    • het 6-1 inconjunct van capaciteit en mandaat.
  7. De zes confronterende relaties van tegendelen of symmetriën beschreven onder G ontwikkelen, als ze samen worden gebracht door verbindingen, op een afstand van180(6) graden, tussen twee of meer functies, een min of meer polariserend karakter. Het karakter van fasen en dat van werkwijzes is als altijd gecombineerd, afhankelijk van het gegeven beginpatroon (zie: E).
    1. de 1-7 oppositie van begin met aanvulling,
    2. de 2-8 oppositie van waarde met afwijzing,
    3. de 3-9 oppositie van onderscheiden met uitbreiding,
    4. de 4-10 oppositie van stabiliteit met beperkingen,
    5. de 5-11 oppositie van identiteit met verscheidenheid,
    6. de 6-12 oppositie van capaciteit met overgave aan de opdracht.
In groepen van relaties die gesloten of bijna gesloten zijn, bijvoorbeeld een vierkant (K), driehoek (L) of andere combinatie, ligt veelvuldige herhaling voor de hand. Zo'n situatie kan zich concentreren, versterken en uitgroeien tot een vicieuze cirkel.

Koppeling naar
het complexe netwerk van relaties binnen (en tussen) processen - structuur #36/11,
 zie figuren en animaties in : structuur #36/11.
 

  ^  
Relatieve beweging; twee groepen van relaties tussen functies

De oriëntatiepunten of functies zijn vastgelegd op een plaats in de cirkel, in werkelijkheid bewogen zij zich op dat moment met verschillende en voor elk karakteristieke snelheid. Zij bewegen zich uiteraard allemaal steeds in voorwaartse richting op hun eigen baan, maar gezien vanaf de aarde komt bij de meeste punten met regelmaat een schijnbaar retrograde beweging voor.

  1. De twee relaties van relatieve snelheid; de snellere functie bevindt zich achter of voor de langzamere functie:
    1. de ingaande relatie,
    2. de uitgaande relatie.
  1. De drie relaties van relatieve richting:
    1. de directe richting,
    2. de stationaire stand,
    3. de retrograde richting.
       
  ^  
Onderlinge functionaliteit van functies

De onderlinge relatie van de oriëntatiepunten is die van wederzijds relatieve functies. Er zijn tenminste twaalf oriëntatiepunten - functies - beschikbaar die elk, vanuit hun eigen gezichtspunt, hun eigen ontwikkelingsdoel en -proces uitvoeren met behulp van het hele netwerk van het eigen proces. Een voorbeeld: functie A is binnen het patroon van functie B actief op terrein 8 maar binnen het patroon van functie C op terrein 3, en beiden zijn op hun manier functies binnen het patroon van A.

Koppelingen naar
voorbeelden van functionele relaties in - de themalijn.
 

  ^  

Beperkingen, vraagtekens en andere aanvullende opmerkingen

Via het enkele punt van contact met de actuele omgeving genereert een proces zowel opeenvolgende ontwikkelingscycli als nieuwe gebeurtenissen die beide hun specifieke doel en karakter verkrijgen van de actuele bewegende wereld van ruimte en tijd. Een proces bevindt zich dus, met zijn unieke eigenschappen in allerhande verwikkelingen, tussen zijn eigen onbekende voorwaarden op weg naar de ontwikkeling van zijn eigen onbekende doel, zijn functie voor de omgeving die ook een cyclisch proces is. In die situatie kunnen zekerheden niet zó zeker zijn. Enkele voorbeelden:

  • De nauwkeurige vaststelling van de relatieve positie van het unieke punt in ruimte en tijd hangt af van de nauwkeurigheid van de vastgestelde plaats en tijd van beginnen. In geval van twijfel zijn zij - door omkering van de werkwijze, dat is door bevraging - in principe reconstrueerbaar.
  • De plaats van de oriëntatiepunten kent variatie in de breedte. Het effect hiervan op het functioneren als karakteristieke eigenschap van een proces zal niet groot zijn maar is wel een vraagpunt.
  • De relatie tussen Ascendant en MC duidt de schuine stand van de aarde aan die samenhangt met de tijd van het jaar, dus de relatie tussen de aardse plaatselijke horizon en de Zon. Boven de poolcirkels is die relatie uiteraard heel bijzonder. In de winter verdwijnt daar de Zon enige tijd onder de horizon, de Ascendant - Descendantlijn. Het MC, de aanduider van de tijd (om 12 uur Plaatselijke Tijd samenvallend met de Zon), verdwijnt gedurende een periode ook beneden de horizon. In het andere uiterste, als 's zomers de Zon steeds zichtbaar blijft en het MC eveneens, kan het MC het hoogste punt van de Zon wel blijven aangeven. Maar ook dit zou vragen oproepen.
  • Alle relaties tussen functies van een proces zijn glijdende schalen, alle andere factoren bepalen altijd mee het karakter van die ene eigenschap. De pure vorm van een eigenschap, haar potentialiteit, is in de praktijk niet met zekerheid vast te stellen, op zijn best statistisch of intuïtief te benaderen. Om deze redenen kan een algemene omschrijving nooit meer dan een aanvechtbare benadering zijn.
  • Per definitie ontwikkelen potentialiteiten van een proces, de unieke combinatie van functies, zich in de loop van de tijd tot individuele eigenschappen.
  • Bij direct contact tussen twee processen kan interactie plaatsvinden tussen een of meer functies van beiden. De voorwaarde is dat beiderzijds een of meer functies zich op plaatsen (op de achtergrond) bevinden waartussen een van de types van functionele relatie doenlijk is. Relaties tussen processen zijn actief als en voor zover functies tussen beiden kunnen interfereren.
  • Cycliciteit moet zowel de openheid (discontinuïteit) en de autonomie (continuïteit) met de omgeving als de terugkoppeling en de niveauwisselingen binnen het proces zelf garanderen. Cyclische openheid: de omgeving heeft (op zowel macro- als microschaal) toegang tot gebeurtenissen die het proces genereert, de wereld of het proces 'tijdgeest' bepaalt daar en dan het actuele doel.
  • Inzicht in het eigen doel vereist nauwkeurige studie van de geschiedenis van de eigen voorwaarden en capaciteiten.
  • Het aantal van alle mogelijke relaties is vele malen groter dan hier aangeboden (ik denk bijvoorbeeld aan functies die niet dezelfde werkwijze gebruiken als de fase waarin zij zich bevinden); voor een zinvol overzicht was het nodig grenzen te stellen.
     
      ^  

Vergelijking van manieren van ordening
 

     tabel 1  Ordening naar de delen van het proces, naast geluid en licht
 
 
contrasten omschrijving fase functie kleuring aspect Hz  aud nm licht
 
trivialiteit aanwezigheid van energie  1  activering impulsief conjunct 264 bis/C 700 magenta
grootheid referentie aan grootheid  2  aandacht volhardend halfsxt.uit 330  E/fes 580 st.oranje
stroming analyse van verschillen  3  relateer wisselend sextiel.uit 413  gis/as 495 zeegroen
duurzaamheid  handhaving van stabiliteit  4  stabiliteit houvast vindend vierkant.uit 440  A/bes 485 cyaan
afscheiding afstand wegens singulariteit  5  zelfbeheer toetsend driehk.uit 275  cis/des 680 puur rood
samengaan synthese van nuttige details  6  synthetiseer dienstbaar inconj.uit 352  eis/F 565 st.geel
goed +
trivialiteit
ervaren door magnetisme  7  aantrekking uitnodigend oppositie 375  fis/ges 540 geelgroen 
slecht +
grootheid
afstoting van niet-wezenlijke  8  verwijder kernachtig inconj.in 469  ais/bes 470 puur blauw
vreugde +
stroming
uitbreiding inzicht in verhaal  9  interpreteer grensverkennend driehk.in 294 D/es 640 or.rood
verdriet +
duurzaamheid 
afgrenzing tegen onzekerheid 10  consistentie beschuttend vierkant.in 317  dis/es 610 rood oranje
noodzaak +
afscheiding
aanpassing van tolerantie 11  vernieuw grensbevestigend sextiel.in 400  G/as 530 puur groen
vrijheid +
samengaan
overdracht van resultaat 12  integreer grensoplossend halfsxt.in 489  B/ces 430 violet
 
De tabel bevat omschrijvingen en - ter vergelijking - twee schalen van golffrequenties die algemeen bekend zijn als voor mensen hoorbaar of zichtbaar. De frequenties van geluidsgolven zijn in Hz, kleur wordt meestal in golflengte aangegeven, nµ = nanometer. In tabel 2 heb ik informatie toegevoegd over golffrequenties van kleurgroepen in Tera Hertz Het zijn beide glijdende schalen, maar voor het onderscheid van toonhoogte in muziek en voor zes basiskleuren bestaan exacte afspraken. De gestandaardiseerde kleuren voor drukinkt zijn magenta, st.geel en st.cyaan, de standaarden voor gekleurd licht zoals in beeldschermen wordt toegepast zijn puur rood, puur groen en puur blauw.
 
     ^  
 
   tabel 2  Ordening naar het kleurenspectrum en de reeks van halve tonen
 
contrasten omschrijving  fase
 
functie kleuring aspect  Hz  aud THz nm licht
fysiek betrokken op omgevingsruimte h.sxt
 
400 800
trivialiteit aanwezigheid van energie   1
driehk
activering initiërend conjunct 264 bis/C  400
tot
700
680
magenta
afscheiding afstand wegens singulariteit   5
driehk
zelfbeheer toetsend driehk.uit 275  cis/des  470 680
650
puur rood
vreugde +  stroming uitbreiding inzicht in verhaal  9 interpreteer grensverkennend driehk.in 294 D/es  470
tot
640
610
oranje rood
introspectief betrokken op het eigen innerlijk h.sxt
 
verdriet +  duurzaamheid afgrenzing tegen onzekerheid 10
driehk
consistentie beschuttend vierkant.in 317  dis/es 520 610
590
rood oranje
grootheid referentie aan grootheid  2
driehk
aandacht volhardend halfsxt.uit 330  E/fes 520
tot
580
570
st.
oranje
samengaan synthese van nuttige details  6 synthetiseer dienstbaar inconj.uit 352  eis/F 590 565
550
st.geel
intellectueel betrokken op de omgeving h.sxt
 
goed + 
trivialiteit
ervaren door magnetisme  7
driehk
aantrekking  uitnodigend oppositie 375  fis/ges 590
540 geelgroen
noodzaak +  afscheiding aanpassing van tolerantie 11
driehk
vernieuw grensbevestigend sextiel.in 400  G/as tot 530
500
puur groen
stroming analyse van verschillen  3
 
relateer wisselend sextiel.uit 413  gis/as 650 495 zeegroen
emotioneel betrokken op innerlijke ruimte h.sxt
 
 
duurzaamheid handhaving van stabiliteit  4
driehk
stabiliteit houvast vindend vierkant.uit 440  A/bes 650 485 cyaan
slecht +  grootheid afstoting van niet-wezenlijke  8
driehk
verwijder kernachtig inconj.in 469  ais/bes  700 470 puur blauw
vrijheid +  samengaan overdracht van resultaat 12 integreer grensoplossend halfsxt.in 489  B/ces 800 430 violet
 
Deze tabel bevat dezelfde gegevens, maar nu in andere volgorde. Door de kleuren in de volgorde van het zonnespectrum te plaatsen ontstond tussen de fasen een recursieve volgorde: 9>1>5, 3>7>11, 6>10>2, 12>4>8. De geluidsfrequenties volgden de Shepard toonreeksen (van hele toonsafstanden: c d e fis gis ais, en cis dis f g a b), de drieklanken in teruggang zijn: gis>c>e, d>ges>bes, eis>a>cis, b>es(dis)>g. De volgorde van de basisbegrippen tot en met de aspecten volgt uiteraard de recursieve beweging.
De vier overmatige drieklanken, bestaande uit een stapeling van twee grote tertsen, blijken van belang te zijn voor componisten en in het algemeen voor het begrijpen van modulaties. De omkeringen ervan zijn enharmonisch altijd aan elkaar gelijk: c/e/gis (grondligging) is enharmonisch c/e/as (sextakkoord) en enharmonisch c/fes/as (kwartsextakkoord). Dat is nuttig bij het moduleren waar, in dit voorbeeld vanuit C grote terts door verhoging van de g in c/e/g naar c/e/gis, het mogelijk wordt om over te gaan op de toonsoort waarin deze overmatige drieklank voorkomt. Zulke drieklanken komen voor in de harmonische kleine-tertstoonladders waarbij de zevende, en in de melodische kleine-tertstoonladders waarbij de zesde én de zevende toon verhoogd zijn om aan de leidtoonbehoefte te voldoen. In de grote terts toonladder 'vraagt' de zevende trap naar ons gevoel immers duidelijk om de slottoon, de tonica (het verhaal gaat dat Moeder Mozart akkoorden met leidtoonbehoefte speelde om haar kinderen uit hun bed en naar de piano te lokken). De overmatige drieklank c/e/gis uit het voorbeeld 'vraagt' om de a en kan dan gehoord worden als deel uitmakend van de harmonische of van de melodische kleine terts-toonladder a. Zo kunnen de overmatige drieklanken gezien worden als verbindende elementen in de muziek die een aanvulling op de andere modulatietechnieken vormen en bijdragen aan de gezochte harmonie [ noot ].
 
Koppelingen naar voorbeelden van processen
'Een appel eten' - structuur #3/1,
'Roken of stoppen met roken' - structuur #3/1,
'Omgaan met mannen of met vrouwen' - structuur #6/2,
'Dit sms'je met "ja" versturen' - structuur #29/9.